IN DEZE LES

Karakters Bouwen met Jasjes

Het probleem met inconsistente personages

Je begint hoofdstuk 1 met Sofie die praat als een filosoof. Hoofdstuk 5 klinkt ze ineens als een tiener. Hoofdstuk 10 spreekt ze weer formeel. Je lezer merkt dit – misschien niet bewust, maar het voelt niet juist. De oplossing? Karakterjasjes.

Wat is een karakterjasje?

Een karakterjasje is een set richtlijnen die je creëert voordat je begint met schrijven, los van het plot. Het is de identiteit van je personage vastgelegd in patronen:

  • Hoe praten ze?

  • Welke woorden gebruiken ze vaak?

  • Welke woorden gebruiken ze nooit?

  • Hoe reageren ze onder druk?

  • Wat is hun standaard houding tegenover de wereld?

  • Wat dragen ze?

Het jasje is als een kapstok: elke scène waarin dit personage verschijnt, trek je hun jasje aan. Daardoor blijven ze herkenbaar, consistent, echt.

De Vijf Lagen van een Karakterjasje

Laag 1: Taalgebruik

Woordenschat

  • Gebruikt dit personage lange of korte zinnen?

  • Formeel of informeel taalgebruik?

  • Dialect, accent, sociolect?

  • Vloeken ze? Hoe?

Voorbeeld:

Marcus (filosoof, 60+):
"De paradox van keuze impliceert dat vrijheid zichzelf opheft."
→ Lange zinnen, abstracte concepten, geen contracties

Zara (tiener, rebel):
"WTF? Jat gewoon wat."
→ Korte zinnen, straattaal

Laag 2: Spraakpatronen

Elk personage heeft unieke patronen:

  • Herhalingen: "Luister, luister – dit is belangrijk."

  • Stopwoorden: "Eigenlijk", "dus", "zeg maar"

  • Aarzelen of direct: "Ik denk... misschien..." vs "Doe het."

  • Vragen stellen: "Begrijp je?" "Snap je wat ik bedoel?" “Hoezo, niet?”

Voorbeeld:

Anna (onzeker, overthinking):
"Ik weet niet... misschien is het beter om... Tjah, wat denk jij eigenlijk?"

Leo (zelfverzekerd, besluitvaardig):
"We gaan nu. Volg mij."

Laag 3: Emotionele Standaard

Hoe reageert dit personage standaard op stress?

  • Humor als verdediging: Grappen maken wanneer het spannend wordt

  • Woede als eerste reactie: Direct defensief of agressief

  • Stilte als respons: Introverte verwerking

  • Analyse als reflex: Rationaliseren van emoties

Voorbeeld:

Conflict: Een dierbare liegt tegen hen.

Sara (humor als schild):
"O geweldig, je liegt tegen me. Is dit het deel waar ik doe alsof ik verbaasd ben?"

Malik (analyse):
"Waarom? Ik begrijp de logica niet. Als je dat wilde bereiken, had liegen alleen zin als..."

Eva (stilte):
[Ze draait zich om. Zegt niets. Loopt weg.]

Laag 4: Fysieke verwoording

Lichaamstaal is ook een jasje. Elk personage heeft herhaalde gebaren:

  • Spelen met haar wanneer nerveus of geprikkeld

  • Kaken spannen bij frustratie

  • Oogcontact vermijden of juist vasthouden

  • Hand in nek bij leugens

Praktisch: Geef elk hoofdpersonage twee fysieke kenmerkende handelingen. Je lezer zal het personage herkennen zonder dat je zijn/hem/diens naam moet noemen. Gebruik ze consequent.

Voorbeeld:

Nina:

  • Nerveus → Pulkt aan haar nagels

  • Liegt → Kijkt net iets te lang recht in je ogen

Zodra je lezer Nina's nagels ziet pulken, weten ze dat ze nerveus is – je hoeft het niet te vertellen.

Laag 5: Wereldbeeld

De diepste laag: hoe kijkt dit personage naar de wereld?

  • Optimist vs. pessimist

  • Vertrouwt mensen vs. wantrouwend

  • Gelooft in rechtvaardigheid vs. chaos

  • Kijkt naar verleden, heden of toekomst

Dit wereldbeeld kleurt elke observatie die ze maken.

Voorbeeld:

Situatie: Een kind valt van zijn fiets.

Thomas (optimist, toekomstgericht):
"Hij leert het wel. Volgend jaar rijdt hij zonder zijwieltjes."

Irene (pessimist, verleden-gericht):
"Natuurlijk valt hij. Kinderen vallen altijd. Zo ben ik ook begonnen."

Hoe bouw je zen Karakterjasje?

Stap 1: Maak een "Karakterprofiel"

Voor elk hoofdpersonage, beantwoord:

  1. Achtergrond: Waar komen ze vandaan? Welke opleidingsniveau?

  2. Drie favoriete woorden: Welke woorden gebruiken ze vaak?

  3. Drie verboden woorden: Welke zouden ze nooit zeggen?

  4. Standaard emotie: Wat is hun standaard mentale staat?

  5. Twee fysieke handeling is kenmerkend: lichaamstaal

  6. Kernovertuiging: Wat geloven ze over de wereld?

Stap 2: Test Het Jasje

Schrijf drie losstaande scènes die NIET in je boek komen:

  1. Je personage bestelt iets om te drinken in een druk café

  2. Je personage krijgt slecht nieuws via telefoon

  3. Je personage ontmoet een oude vriend die ze liever vermijden

Lees ze. Klinkt het personage consistent? Herken je ze zonder hun naam te noemen?

Stap 3: Gebruik Het Jasje In Elk Hoofdstuk

Elke keer dat je personage verschijnt:

  • Controleer hun woordenschat

  • Check hun emotionele reflex

  • Gebruik hun fysieke kenmerkende handelingen

Waarom Dit Werkt

Lezers onthouden geen plotdetails. Ze onthouden hoe personages voelen.

Als Marcus consistent praat in abstracte termen, herken je hem direct. Als Zara ineens formeel wordt zonder reden, voelt dat vals.

Karakterjasjes zorgen dat je personages mensen blijven in plaats van plot-instrumenten.

Veelgemaakte Fouten

Te rigide: Jasje wordt een dwangbuis
Flexibel: Personages mogen groeien, maar kernpatronen blijven

Te veel: Elk gebaar beschrijven of herhalen
Selectief: Alleen gebaren die betekenis hebben, de rest schrappen

Vergeten te updaten: Personage verandert, jasje niet
Evoluerend: Trauma of groei verandert ook het jasje

Praktische Opdracht

Kies twee personages uit je verhaal en maak hun karakterprofiel:

  1. Schrijf hun karakter profiel (6 vragen hierboven)

  2. Test hun jasje met de drie losse scènes

  3. Herschrijf een bestaande dialoog met hun nieuwe jasje in gedachten

Let op: Klinken ze nu authentieker? Herkenbaarder?

Onthoud: Goede personages zijn niet interessant omdat ze bijzondere dingen doen. Ze zijn interessant omdat ze consequent zichzelf blijven, ongeacht wat er gebeurt.

Volgende les: We kijken naar dialoog – hoe maak je gesprekken die klinken als echte mensen, zonder de saaie delen van echte gesprekken?