AVI = Analyse van Individualiseringsvormen
Dit is het Nederlandse systeem om leesniveaus te bepalen. Boeken worden ingedeeld op basis van:
Woordcomplexiteit
Zinslengte
Conceptuele moeilijkheid
Belangrijk: AVI-niveaus zijn richtlijnen, geen wetten. Maar als je voor beginnende lezers schrijft, zijn ze essentieel.
AVI-Structuur
START → M3 = Eerste lezers (groep 3) M4 → E3 = Begin vlotte lezers (groep 4) E4 → Plus = Vlotte lezers (groep 5-6)
AVI START
Leerlingkenmerken:
Net begonnen met lezen
Herkennen letters en klanken
Lezen is inspannend
Tekstkenmerken:
Woorden: 1-lettergrepen, hoogfrequent (kat, bos, zon)
Zinnen: 3-5 woorden
Lengte: 8-10 zinnen totaal
Verhaal: Heel simpel, herhaling
Illustraties: Dragen verhaal volledig
Schrijftips:
Alleen woorden die fonisch te lezen zijn
Geen moeilijke lettercombinaties (ch, sch, ng bij voorkeur niet)
Herhaling van woorden geeft zekerheid
Illustratie toont wat de tekst zegt
AVI M3 (Midden groep 3)
Leerlingkenmerken:
Lezen gaat iets makkelijker
Herkennen steeds meer woorden
Korte zinnen kunnen volgen
Tekstkenmerken:
Woorden: 1-2 lettergrepen, meer variatie
Zinnen: 4-7 woorden
Lengte: 50-150 woorden
Verhaal: Simpel plot met begin en eind
Illustraties: Belangrijk, maar tekst vertelt ook
Schrijftips:
Woorden moeten nog herkenbaar/regelmatig zijn
Simpele werkwoorden (lopen, kijken, roepen)
Dialoog mag, maar kort
Eén gebeurtenis per verhaal
AVI E3 (Eind groep 3)
Leerlingkenmerken:
Basisvaardigheden op orde
Snelheid neemt toe
Kunnen simpele verhalen volgen
Tekstkenmerken:
Woorden: Tot 3 lettergrepen, onregelmatige spelling mag
Zinnen: 5-8 woorden, soms een bijzin
Lengte: 150-500 woorden
Verhaal: Duidelijk plot, kleine wending mogelijk
Illustraties: Ondersteunen, niet meer essentieel
Schrijftips:
Plot mag iets complexer
Emoties mogen benoemd ("blij", "verdrietig")
Dialoog wordt belangrijker
Humor werkt goed
AVI M4 (Midden groep 4)
Leerlingkenmerken:
Vlot lezen begint
Techniek steeds meer automatisch
Kunnen iets langere verhalen aan
Tekstkenmerken:
Woorden: Alle lengtes, moeilijkere woorden mogelijk
Zinnen: 6-10 woorden, bijzinnen frequent
Lengte: 500-1000 woorden
Verhaal: Meerdere scenes, kleine subplot mogelijk
Illustraties: Aanwezig maar niet per pagina nodig
Schrijftips:
Je kunt meer plot hebben
Karakters mogen emoties tonen (niet alleen zeggen)
Beschrijving mag iets meer
Spanning opbouwen werkt
AVI E4 en hoger
Leerlingkenmerken:
Lezen gaat vloeiend
Begrijpen complexere verhalen
Kunnen inferenties maken
Tekstkenmerken:
Geen strikte beperkingen meer
Zinnen: Gevarieerd, ook lang
Lengte: 1000+ woorden per hoofdstuk
Verhaal: Alle verhaalstructuren mogelijk
Stijl: Meer literaire vrijheid
Op dit niveau schrijf je eigenlijk "normale" kinderboeken, zonder de strikte AVI-restricties.
Taal aanpassen aan leesniveau
Woordkeuze
VERMIJD bij lage AVI-niveaus:
1. Moeilijke lettercombinaties ❌ Schaats, christen, nachtvlinder (voor START-M3) ✓ Schaats mag vanaf E3
2. Lange woorden ❌ Politieauto, verjaardagstaart (voor START) ✓ Vanaf M3 mag dit
3. Abstracte woorden ❌ Teleurstelling, verantwoordelijkheid (jonge lezers) ✓ Voor oudere kinderen (10+)
4. Zeldzame woorden ❌ Peinzen, gadeSlaan, verpozen ✓ Alleen als je het wilt uitleggen
GEBRUIK bij alle niveaus:
1. Concrete, zintuiglijke woorden ✓ Ruiken, zien, voelen, horen, proeven
2. Actiewerkwoorden ✓ Rennen, springen, grijpen, roepen (niet: zijn, hebben, gaan)
3. Emotie-woorden aangepast aan niveau
Laag niveau: blij, boos, bang, verdrietig
Middenniveau: opgewonden, jaloers, teleurgesteld
Hoog niveau: gekwetst, beschaamd, eenzaam
Zinsbouw
BASISREGELS:
1. Één idee per zin (vooral lage niveaus)
❌ Te complex: "Mia, die net jarig was geweest en een nieuwe fiets had gekregen, reed naar het park waar haar vriendinnen op haar wachtten."
✓ Opgesplitst: "Mia was jarig geweest. Ze had een nieuwe fiets gekregen. Nu reed ze naar het park. Haar vriendinnen wachtten op haar."
2. Subject-werkwoord-object (SVO)
✓ Helder: "Mia pakt de bal." ❌ Verwarrend voor jonge lezers: "De bal wordt door Mia gepakt."
3. Vermijd te veel voorzetselbepaling
❌ "Mia liep met haar moeder in de vroege ochtend naar de winkel aan de overkant van de straat." ✓ "Mia en mama liepen naar de winkel."
4. Dialoog is toegankelijk
Dialoog is vaak makkelijker te lezen dan beschrijving.
✓ Goed: "Zullen we spelen?" vroeg Lisa. "Ja!" riep Mia.
Tempo En Spanning
Kinderen hebben minder geduld.
Per leeftijd:
4-6 jaar: Iets moet binnen 3-4 pagina's gebeuren 7-9 jaar: Hoofdstuk moet eindigen met cliffhanger of vooruitgang 10-12 jaar: Spanning mag opbouwen over meerdere hoofdstukken YA: Kan langzamer, maar eerste hoofdstuk moet grijpen
Technieken voor tempo:
1. Korte hoofdstukken Vooral voor jonge lezers: 2-5 pagina's per hoofdstuk max.
2. Cliffhangers Elk hoofdstuk eindigt met "En toen..."
3. Actie Dingen gebeuren. Minder beschrijving, meer actie.
❌ Te beschrijvend: "Het bos was groot en groen. Er waren veel bomen. Sommige bomen waren oud. Andere waren jong. De bladeren ritselden in de wind."
✓ Actie: "Mia rende het bos in. Takken kraakten onder haar voeten. Waar was die vos naartoe?"
Verhaalstructuur Voor Kinderen
De Basis: Drieaktenstructuur (Vereenvoudigd)
AKT 1: Normale wereld + Probleem (25%)
Stel personage voor
Laat zien wat normaal is
Probleem ontstaat
AKT 2: Pogingen om probleem op te lossen (50%)
Personage probeert dingen
Het mislukt of wordt erger
Spanning stijgt
AKT 3: Oplossing + Nieuwe Normaal (25%)
Personage vindt oplossing
Probleem opgelost
Les geleerd (optioneel, niet preachy)
Voorbeeld (prentenboek):
AKT 1: Emma heeft een knuffelkonijn. Ze neemt het overal mee. Op een dag is het konijn weg!
AKT 2: Emma zoekt overal. In haar kamer: niet daar. In de tuin: niet daar. Bij de buren: ook niet.
AKT 3: Dan hoort ze piepen. Het konijn zit in de wasmand! Het is gewassen en nu lekker schoon. Emma is blij.
Personages In Kinderboeken
HOOFDREGEL: Het kind lost het probleem op, niet de volwassene.
Kinderen willen zich identificeren met het hoofdpersonage. Als mama of papa het oplost, is het kind passief.
❌ Kind is passief: "Mia was verdwaald. Gelukkig kwam papa haar halen."
✓ Kind is actief: "Mia was verdwaald. Ze herinnerde zich wat papa had gezegd: als je verdwaalt, blijf dan staan. Mia bleef staan en keek goed om zich heen. Toen zag ze het pad terug!"
Leeftijd van hoofdpersonage:
Vuistregel: Hoofdpersonage is 1-2 jaar ouder dan de lezer.
5-jarige leest over 6-7 jarige
8-jarige leest over 9-10 jarige
12-jarige leest over 13-15 jarige
Waarom? Kinderen kijken op naar iets oudere kinderen.
Karakter-archetypen die werken:
De Moedige (durft dingen aan)
De Nieuwsgierige (ontdekt dingen)
De Loyale Vriend (staat voor anderen op)
De Underdog (bewijst iedereen ongelijk)
De Rebel (breekt regels voor goede reden)
Thema's Per Leeftijd
2-5 jaar:
Angsten overwinnen (donker, alleen zijn, monsters)
Emoties herkennen (boos, verdrietig, blij)
Eerste keren (dokter, naar school, logeren)
Vriendschap basics (delen, aardig zijn)
6-8 jaar:
School (pesten, vrienden maken, presteren)
Familie (broertje/zusje, scheiding, verhuizen)
Zelfvertrouwen (iets durven, falen en doorgaan)
Avontuur (verdwalen, mysteries, dieren redden)
9-12 jaar:
Identiteit (wie ben ik? waar hoor ik?)
Eerlijkheid vs. liegen
Groepsdruk
Eerste verliefdheid (licht)
Verlies (huisdier, grootouder)
Avontuur (complexer, verder van huis)
12-18 jaar (YA):
Alle volwassen thema's, eerlijk aangepakt
Seksualiteit, relaties, identiteit
Mentale gezondheid
Verslaving, misbruik (met zorg)
Dystopie, maatschappijkritiek
Dood en rouw
Wat NIET werkt:
❌ Moraliserend zijn ("En daarom moet je altijd...") ❌ Volwassen zorgen op kinderen projecteren ❌ Stereotype personages (braaf meisje, stoere jongen) ❌ Te donker zonder hoop (zelfs in YA) ❌ Patronizing tone ("Kleine kinderen begrijpen niet dat...")
Dit is Mia.
Mia heeft een kat.
De kat is rood.
De kat heet Moos.
Mia houdt van Moos.
Mia heeft een nieuwe fiets.
De fiets is blauw en rood.
Mia rijdt naar het park.
In het park is een vijver.
Bij de vijver ziet Mia een eend.
De eend heeft kleine kuikens.
"Kijk, mama!" roept Mia.
Mama kijkt en lacht.
Mia is jarig. Ze wordt zeven jaar.
Op school zingt iedereen voor haar.
"Gefeliciteerd!" roepen haar vrienden.
Na school komt oma op bezoek.
Oma heeft een pakje bij zich.
Het pakje is groot en zwaar.
Mia maakt het open.
In het pakje zit een grote beer.
Een beer met een rode strik!
"Dank je wel, oma," zegt Mia blij.
Nu heeft Mia twee beren.
Het is zaterdag en Mia mag haar vriendin Lisa ophalen.
Samen gaan ze naar het speeltuintje bij de school.
"Zullen we glijden?" vraagt Lisa.
"Nee, laten we schommelen!" zegt Mia.
Ze rennen naar de schommels.
Maar alle schommels zijn bezet.
"Jammer," zegt Lisa teleurgesteld.
Dan ziet Mia de draaimolen.
"Kijk! Die is vrij!" roept ze.
Ze rennen erheen en springen erop.
Mia duwt de draaimolen zo hard ze kan.
Sneller en sneller gaat hij rond.
Lisa gilt van plezier.
Het is een leuke middag!